Het Hof Den Haag oordeelt dat het uitzendbeding uit de NBBU-Cao vanaf 1 juli 2015 in strijd is met het opzegverbod bij ziekte als vermeld in artikel 7:670 lid 1 BW. Aangezien artikel 7:670 lid 1 BW van dwingend recht is en uitsluitend strekt ter bescherming van de werknemer, is het uitzendbeding in zoverre vernietigbaar op de voet van artikel 3:40 lid 2 BW.

Artikel 7:670 lid 1 BW bepaalt, kort gezegd, dat de werkgever de arbeidsovereenkomst in beginsel niet mag opzeggen tijdens ziekte. Deze regel is van dwingend recht. In het oude artikel 7:670 lid 13 BW (oud), zoals dit gold tot de inwerkingtreding van de WWZ per 1 juli 2015, was bepaald dat hiervan bij (onder meer) cao kon worden afgeweken. Het betrof een zogeheten afwijkmogelijkheid van driekwart dwingend recht. Het uitzendbeding, zoals vermeld in artikel 13 lid 3 van de NBBU-Cao, vormde hiervan een toepassing.

Met de invoering van de WWZ per 1 juli 2015 is lid 13 van artikel 7:670 BW echter komen te vervallen. Dit betekent dat het thans niet meer mogelijk is om bij cao af te wijken van het opzegverbod tijdens ziekte. In de NBBU-cao komt echter nog een uitzendbeding voor in artikel 13 lid 3 sub a. Dit bepaalt dat de uitzendovereenkomst in fase 1 en 2 ten einde komt doordat de uitzendkracht de bedongen arbeid als gevolg van arbeidsongeschiktheid niet langer kan verrichten. Tevens is in dit artikel bepaald dat in geval van ziekte of ongeval van de uitzendkracht de terbeschikkingstelling in fase 1 of 2 direct na de melding van de ziekte/het ongeval geacht wordt met onmiddellijke ingang te zijn beëindigd op verzoek van de inlener.

Gerechtshof Den Haag 17-3-2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:460, Zaaknummer 200.228.162/01 (Appellant/Uitzendbureau Solutions B.V.,).

Dit nieuwsbericht is geschreven door mr. dr. Esther Koot-van der Putte, eigenaar van Cao-recht Advies en Opleiding (www.cao-recht.nl).