walden-pond

Binding aan Cao Odfjell en het constitutief vereiste van art. 4 Wet LV

05-06-2014

Odfjell, een bedrijf dat een tankopslagterminal voor olie en chemie exploiteert, verkeert in zwaar weer. Centraal staat de vraag of het Sociaal Plan (dat een standaard-karakter heeft) een einde maakt aan gunstiger bepalingen uit de eerder afgesloten arbeidsvoorwaarden-cao. Deze cao was niet aangemeld conform art. 4 Wet LV. In geschil was ook de vraag of er door de werknemers rechten konden worden ontleend aan de cao-bepaling, nu partijen van mening verschilden over de vraag of de bepaling een normatief danwel een obligatoir karakter had.

Feiten
De werknemers zijn voor onbepaalde tijd in dienst van Odfjell en werkzaam in de Rotterdamse haven, waar Odfjell een tankopslagterminal voor olie en chemie exploiteert. In de onderneming zijn ongeveer 260 werknemers werkzaam. De werknemers zijn nagenoeg allen lid van FNV Bondgenoten of van CNV Vakmensen.

In het bedrijf wordt een incorporatiebeding toegepast, dat verwijst naar de geldende cao. Ten behoeve van een eerdere reorganisatie is het Sociaal Plan Phoenix afgesloten. Dat Sociaal Plan bevatte onder meer een vergoeding op basis van de oude kantonrechtersformule met een c-factor 1,1. In de Cao 2014 is bepaald dat dat dit punt uit het Sociaal Plan Phoenix niet ter discussie zal worden gesteld. De bonden hebben dit ook gecommuniceerd aan hun leden. De uiteindelijke Cao 2014 is niet aangemeld bij het Ministerie van SZW conform artikel 4 Wet op de Loonvorming (Wet LV).

In het nieuw af te sluiten Sociaal Plan, Mount Everest genaamd, wordt –in tegenstelling tot de Cao 2014- aangegeven dat het niet meer haalbaar is de oude kantonrechtersformule met C-factor 1,1 te voldoen. Werknemers vorderen daarom onverkorte toepassing van de Cao 2014, waarin staat dat dit punt niet ter discussie zal komen.

Vordering werknemers

De werknemers stellen dat het Sociaal Plan Mount Everest dat Odfjell en de vakbonden voornemens zijn met elkaar te sluiten in strijd is met artikel 31 van de  CAO 2014 waarin staat het deel van het onderhandelaarsakkoord over de ontslagvergoedingen ongewijzigd is overgenomen. De beëindigingsvergoedingen in het beoogde Sociaal Plan Mount Everest zijn aanzienlijk lager voor oudere werknemers. De werknemers menen, dat ook zonder dat de cao 2014 is aangemeld bij de minister van SZW, artikel 31 van de CAO 2014 onderdeel van de arbeidsovereenkomsten van de werknemers is gaan uitmaken, zodat zij hier een beroep op kunnen doen.

Verweer bonden

FNV Bondgenoten, CNV Vakmensen en Odfjell stellen dat werknemers zich niet kunnen beroepen op artikel 31 van de CAO 2014, omdat de CAO 2014 nog niet als CAO is aangemeld bij de minister van SZW en dan ook ingevolge artikel 4 lid 3 WLV niet in werking is getreden. Ook van incorporatie is volgens hen daarom geen sprake. Aan doorwerking in individuele arbeidsovereenkomsten staat voorts in de weg dat genoemd artikel 31 geen normatieve, arbeidsvoorwaardelijke bepaling is, maar slechts een obligatoire, waaraan Odfjell en de vakbonden alleen jegens elkaar zijn gebonden. Daarbij zal het Sociaal Plan Mount Everest, als cao met een standaard karakter worden aangemeld bij de minister van SZW. Door het standaardkarakter vervallen alle eerdere aanspraken.

Beoordeling kantonrechter
Allereerst beoordeelt de kantonrechter de vraag of artikel 31 uit de Cao 2014 als normatieve bepaling moet worden aangemerkt. De kantonrechter legt de bepaling uit de aan hand van de objectieve methode voor de uitleg van cao-bepalingen en komt tot de conclusie dat het geen obligatoire bepaling betreft, maar dat de bepaling een normatief karakter heeft in die zin dat deze is bedoeld om individuele werknemers en werkgevers te binden.

Vervolgens wijdt de kantonrechter uitgebreide overwegingen aan de vraag of het beroep dat Odfjell en de vakbonden hebben gedaan op artikel 4 lid 3 Wet LV naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In de beschouwing van de kantonrechter komt onder andere naar voren dat de wetgever artikel 4 lid 3 Wet LV in 1970 heeft ingevoerd om zicht te kunnen houden op de loonontwikkeling. Weliswaar heeft de Hoge Raad de aanmelding ex artikel 4 lid 3 Wet LV tot een constitutief vereiste verheven, maar een beroep op het ontbreken van de aanmelding door Odfjell en de bonden is in de onderhavige situatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar nu Odfjell en de bonden ook de voorgaande cao niet hebben aangemeld en deze ook steeds is toegepast, zodat daarmee het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de cao de arbeidsverhouding tussen Odfjell en haar werknemers beheerst.

De tussenconclusie leidt ertoe dat de werknemers krachtens lidmaatschap danwel incorporatie gebonden zijn aan artikel 31 van de Cao 2014.

Echter, op grond van Unieke Kinderopvang-leer wordt de vordering van de werknemers uiteindelijk toch afgewezen. Dit omdat het Sociaal Plan Mount Everest als standaard-cao zal worden aangemeld. Het standaardkarakter leidt ertoe dat aan de nawerking van gunstigere bepalingen uit een eerdere cao een einde komt.

Opmerkingen:
Dit is een uitspraak voor de echte cao-recht liefhebber. Maar liefst drie aspecten van cao-recht komen aan de orde, te weten het onderscheid tussen normatieve en obligatoire bepalingen waarbij de uitleg aan de hand van de objectieve cao-norm wordt toegepast. Vervolgens komt de vraag aan de orde welk gewicht moet worden toegekend aan de aanmeldingsplicht van cao’s conform artikel 4 lid3 Wet LV. Tot slot wordt de Unieke Kinderopvang doctrine toegepast, op grond waarvan aan de nawerking van gunstigere bepalingen uit een nawerkende cao een einde komt, omdat de opvolgende cao een standaardkarakter heeft. Als met al een heel interessante uitspraak met vele gezichtspunten.

Kort geding Kantonrechter Utrecht 28-05-2014,  zaaknummer: 3069349 UV EXPL 14-224 LH/1040, ECLI:NL:RBMNE:2014:2172