De Cao voor het Taxivervoer is algemeen verbindend verklaard voor de periode van 22 mei 2010 tot en met 21 mei 2012. In casu wordt een nalevingsactie ingesteld door de Stichting Sociaal Fonds Taxiververvoer (hierna: SFT) bij het taxibedrijf Blue Taxi. De diensttijd bestaat blijkens de cao uit wachttijd, rijtijd en pauze. Uit de controle van de SFT blijkt dat Blue Taxi alleen de rijtijd vergoedt. SFT vordert nabetaling van het loon alsmede inzage in de administratie. De medewerkers van Blue Taxi hebben na ontstaan van het geschil tussen Blue Taxi en SFT een vaststellingsovereenkomst ondertekend waarin zij afstand doen van extra rechten waar zij op basis van de avv-Cao Taxivervoer recht op hebben .

Het Hof Den Haag oordeelt dat de pauzeregeling uit de cao niet goed is toegepast. Dat de werknemers de vaststellingsovereenkomst hebben ondertekend maakt dit niet anders. Cao-partijen hebben hun vorderingsrecht ex art.15 Wet CAO juncto art. 3 Wet AVV overgedragen aan de SFT. De SFT heeft derhalve een zelfstandig vorderingsrecht. Dit hangt samen met het eigen belang dat SFT heeft bij de handhaving van de Cao Taxivervoer. Bij de inhoudelijke beoordeling van de pauzeregeling uit de cao hanteert het Hof de objectieve methode (de ‘cao-norm’) voor de uitleg van cao’s. Het Hof slaat mede acht op de in het arbeidsrecht geldende notie dat wachttijd in beginsel heeft te gelden als (betaalde) werktijd, indien de werknemer voor zijn werkgever op een arbeidsplaats aanwezig dient te zijn (HvJEG, 3 oktober 2000, nr. C-303/98 en HvJ EG 9 september 2003, JAR 2003/226).

In deze zaak wordt nader ingegaan op de mogelijkheid een vaststellingsovereenkomst aan te gaan teneinde af te wijken van dwingend recht. In dit geval wordt verwezen naar de recente jurisprudentie van de Hoge Raad terzake (HR 9 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:39). Het Hof oordeelt dat de vaststellingsovereenkomsten in casu niet strekken tot beëindiging van een bestaand geschil tussen Blue Taxi en haar chauffeurs, maar ter voorkoming van een geschil in het geval SFT in het gelijk wordt gesteld. Reeds om die reden acht het Hof de vaststellingsovereenkomsten nietig op grond van art. 3 Wet AVV.

Gerechtshof Den Haag 17-03-2015 ECLI:NL:GHDHA:2015:512