top of page

SCROLL

Verkrijger gebonden aan toekomstige cao’s door dynamisch incorporatiebeding

  • Foto van schrijver: CAO-RECHT
    CAO-RECHT
  • 3 dagen geleden
  • 3 minuten om te lezen

Na verwijzing door de Hoge Raad oordeelt het hof dat een dynamisch incorporatiebeding bij overgang van onderneming overgaat op de verkrijger en dat werknemers recht behouden op cao-loonsverhogingen uit latere cao’s. Een voorafgaand aan de overgang gesloten nieuwe arbeidsovereenkomst zonder dit beding kan daaraan niet afdoen.


In deze zaak staat centraal of werknemers die na een overgang van onderneming in dienst zijn gekomen bij ID Logistics Tilburg B.V. (IDL), aanspraak kunnen maken op loonsverhogingen uit opvolgende cao’s op grond van een eerder overeengekomen dynamisch incorporatiebeding. De werknemers waren oorspronkelijk in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Mol Logistics en werkten onder een arbeidsovereenkomst waarin was bepaald dat de cao Beroepsgoederenvervoer “van kracht” was.


Na de overgang van onderneming per 1 april 2015 traden zij van rechtswege in dienst bij IDL (art. 7:662 e.v. BW). Kort vóór die datum liet IDL de werknemers een nieuwe arbeidsovereenkomst ondertekenen, waarin het dynamisch incorporatiebeding ontbrak en waarin toekomstige loonsverhogingen afhankelijk werden gesteld van bedrijfsresultaten. IDL was zelf niet gebonden aan de cao en stelde zich op het standpunt dat zij niet gehouden was cao-verhogingen toe te passen.


De Hoge Raad had in het verwijzingsarrest reeds geoordeeld dat een dynamisch incorporatiebeding als zodanig overgaat op de verkrijger. Het hof werkt dit oordeel verder uit en stelt voorop dat werknemers aan een dergelijk beding een door art. 7:663 BW beschermd recht ontlenen op toepassing van toekomstige cao-bepalingen. Van dit recht kan alleen afstand worden gedaan na, en niet wegens, de overgang van onderneming.


Het hof verwerpt het verweer van IDL dat het dynamisch incorporatiebeding al vóór de overgang zijn werking had verloren. Dit verweer is deels tardief en bovendien inhoudelijk ongegrond. De uitleg van het beding moet plaatsvinden volgens de Haviltex-maatstaf, waarbij niet alleen de tekst, maar ook de context en verwachtingen van partijen van belang zijn. Een dynamisch incorporatiebeding strekt er naar zijn aard toe ook toekomstige cao’s van toepassing te laten zijn. IDL heeft onvoldoende onderbouwd dat in dit geval een afwijkende (statische) uitleg gerechtvaardigd zou zijn.


Voorts oordeelt het hof dat de cao voorafgaand aan de overgang nog (ten minste deels) werd toegepast en dat IDL onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de geldende arbeidsvoorwaarden. Dat komt voor haar risico als verkrijger. Daarmee staat vast dat het dynamisch incorporatiebeding inclusief de werking ten aanzien van toekomstige cao’s is overgegaan.


Ten aanzien van de door IDL geïntroduceerde nieuwe arbeidsovereenkomsten oordeelt het hof dat sprake is van een verboden wijziging van arbeidsvoorwaarden wegens de overgang van onderneming. De werknemers konden niet rechtsgeldig instemmen met het prijsgeven van hun rechten uit het dynamisch incorporatiebeding, nu die instemming voorafgaand aan de overgang is verkregen. Dit is in strijd met art. 7:663 BW en de onderliggende Europese beschermingsrichtlijn.


Ook het beroep van IDL op rechtsverwerking faalt. Enkel tijdsverloop of stilzitten is onvoldoende; vereist zijn bijzondere omstandigheden die gerechtvaardigd vertrouwen of onredelijke benadeling opleveren. Gelet op het dwingendrechtelijke karakter van de bescherming bij overgang van onderneming en de hoge drempel voor rechtsverwerking, heeft IDL haar stellingen onvoldoende geconcretiseerd. Bovendien had juist IDL een actieve onderzoeksplicht naar de arbeidsvoorwaarden van de overgenomen werknemers.


Het hof oordeelt dat IDL gehouden is de cao-loonsverhogingen en tredeverhogingen toe te passen op de overgenomen werknemers met een dynamisch incorporatiebeding, inclusief de toekomstige versies van de cao. De vorderingen tot betaling van achterstallig loon worden toegewezen. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot nihil wegens het tijdsverloop, maar wettelijke rente blijft verschuldigd.


De slotsom is dat het dynamisch incorporatiebeding zijn werking behoudt na overgang van onderneming, ook jegens een niet-cao-gebonden verkrijger, en dat pogingen om deze werking voorafgaand aan de overgang contractueel uit te sluiten geen stand houden. Dit arrest bevestigt en concretiseert de lijn van de Hoge Raad over de bescherming van cao-rechten bij overgang van onderneming.




Opmerkingen


Het is niet meer mogelijk om opmerkingen te plaatsen bij deze post. Neem contact op met de website-eigenaar voor meer info.
bottom of page