In zijn arrest van 23 september 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2471) oordeelt het Gerechtshof Amsterdam over de rechtsgeldigheid en reikwijdte van de algemeenverbindendverklaring (AVV) van de cao Bouw & Infra en de cao Bedrijfstakeigen Regelingen voor de Bouw- & Infrasector (BTER), alsmede over de daaruit gestelde premie- en informatieverplichtingen jegens een onderneming die zich bezighoudt met asbestsaneringswerkzaamheden.
Het hof stelt allereerst vast dat het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot algemeenverbindendverklaring van de cao-bepalingen rechtmatig is genomen. De minister mocht, gelet op artikel 2 Wet AVV en artikel 38 Wet op de loonvorming, in redelijkheid tot AVV overgaan. Van gebreken in de representativiteit van de cao-partijen, schending van procedurele voorschriften of een onvoldoende draagvlak binnen de bedrijfstak is niet gebleken. Evenmin is aannemelijk geworden dat de minister bij de belangenafweging de grenzen van zijn beoordelings- en beleidsvrijheid heeft overschreden. De AVV’s hebben derhalve verbindende kracht voor werkgevers die binnen de formele werkingssfeer van de cao’s vallen.
Vervolgens beoordeelt het hof of de geïntimeerde onderneming materieel onder die werkingssfeer valt. Daarbij staat centraal of haar activiteiten kwalificeren als werkzaamheden in de bouw- en infrasector, dan wel onder een uitzondering vallen. Het hof overweegt dat op de Fondsen de stelplicht en bewijslast rusten om aannemelijk te maken dat de bedrijfsactiviteiten van geïntimeerde in hoofdzaak bestaan uit cao-gebonden werkzaamheden. Naar het oordeel van het hof hebben de Fondsen daarin onvoldoende voorzien.
Het hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de asbestsaneringsactiviteiten van geïntimeerde onder de zogenoemde isolatie-uitzondering vallen en daarmee buiten de werkingssfeer van zowel de verplichtstellingsbesluiten als de algemeenverbindend verklaarde cao-bepalingen. Dat de AVV rechtmatig tot stand is gekomen, maakt dit niet anders, nu de AVV slechts werking heeft binnen haar normatieve en personele toepassingsbereik.
Bij gebreke van werkingssfeer ontbreekt een rechtsgrond voor premieheffing en voor de gevorderde informatie- en controleverplichtingen. Het hof wijst alle vorderingen van de Fondsen af en veroordeelt hen in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep.
Het arrest bevestigt enerzijds de ruime beoordelingsvrijheid van de minister bij AVV-besluiten en anderzijds dat premieplicht strikt afhankelijk blijft van concrete, feitelijk vastgestelde werkingssfeer-toepassing.
Bron: Hof Amsterdam 23 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2471