top of page

SCROLL

Uitleg van verplichtstellingsbesluit bepaald door (on)aannemelijkheid rechtsgevolgen

  • Foto van schrijver: CAO-RECHT
    CAO-RECHT
  • 20 uur geleden
  • 4 minuten om te lezen

Inleiding

Waar tot dusver in de werkingssfeerjurisprudentie het accent lag op de meer tekstuele toepassing van de cao-norm, introduceert de Hoge Raad expliciet de mogelijkheid van een impliciete ondergrens. Daarmee wordt voorkomen dat ondernemingen op basis van louter marginale activiteiten onder een verplichtstelling vallen. Deze annotatie bespreekt de dogmatische plaats van deze benadering en de spanning met de traditionele benadering.


1. Van tweetrapsraket naar enkelvoudige uitleg

Het hof Den Bosch hanteerde nog een tweestaps-benadering: Hazet viel naar de letter onder de werkingssfeer, maar aansluiting bij het Bpf MITT was naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarmee werd de werkingssfeer eerst ruim vastgesteld, om vervolgens via art. 6:248 lid 2 BW te worden gecorrigeerd.  

De Hoge Raad verwerpt deze benadering. Het zwaartepunt ligt niet bij een ex post correctie, maar bij de uitleg van het verplichtstellingsbesluit zelf. Door toepassing van de cao-norm, inclusief de toets van de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen, wordt reeds tijdens de interpretatiefase van de werkingssfeer zelf een grens aangebracht.  

Deze verschuiving is systematisch van belang. Voorkomen wordt dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid steeds moet worden ingeroepen terwijl in het eerdere stadium van de interpretatie al een oordeel kan worden geveld. Daarmee sluit de Hoge Raad aan bij eerdere literatuur die pleit voor correctie via uitleg in plaats van via open normen (vgl. o.a. Degelink en Thijssen).


2. De impliciete ondergrens als de-minimis-leer

Kern van het arrest is dat een verplichtstellingsbesluit, ook zonder expliciet hoofdzaakcriterium, toch een minimale drempel kent. Ondernemingen die slechts “op verwaarloosbare schaal” activiteiten verrichten die onder de werkingssfeer vallen, kwalificeren niet als werkgever in de zin van het besluit.  

De Hoge Raad legitimeert dit vanuit de onaannemelijkheid van de rechtsgevolgen, één van de gezichtspunten van de cao-norm. De Hoge Raad sluit bij deze leer aan blijkens ro. 3.2.2: “Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.” De keuze voor een deze invalshoek impliceert dat er op grond van de tekst twee -op zichzelf mogelijke- interpretaties zijn met ieder hun eigen rechtsgevolgen.

 

De ene interpretatie is zuiver tekstueel en luidt: er is geen hoofdzaakcriterium en iedere werkgever die ook maar enige activiteit ontwikkelt binnen de grenzen van de werkingssfeer valt er daarmee ook onder. De andere interpretatie luidt dan: er moet toch wel een ondergrens zijn in deze werkingssfeer, want als dat niet het geval is zou elke onderneming met een incidentele activiteit volledig onder de verplichtstelling kunnen vallen, inclusief ondernemingen die geen enkele band met de sector hebben. De Hoge Raad vindt de laatste interpretatie de meest aannemelijke.

Deze benadering van de Hoge Raad komt materieel neer op een de-minimis-leer: niet iedere tekstueel relevante activiteit is juridisch relevant. Daarmee worden de grenzen van de werkingssfeer afhankelijk gemaakt van de economische realiteit van de onderneming en de sector waarbinnen hij zijn activiteiten uitoefent.


3. Verkapt hoofdzaakcriterium?

De vraag rijst of hier niet alsnog een (verkapt) hoofdzaakcriterium wordt geïntroduceerd. Traditioneel geldt dat, indien een verplichtstellingsbesluit geen hoofdzaakcriterium bevat, dit een bewuste keuze van de sociale partners is. De impliciete ondergrens vereist echter een beoordeling van factoren als omzet, loonsom, arbeidsuren en de verhouding tot de kernactiviteiten. Dat zijn de maatstaven die in klassieke hoofdzaaktoetsen worden gehanteerd (zie onderzoek SZW, ‘Hoofdzakelijkheidscriteria in bedrijfstak-cao’s 2026’).  

Het verschil tussen een “ondergrens” en een “hoofdzaakcriterium” lijkt daarmee gradueel in plaats van principieel. Waar een hoofdzaakcriterium vraagt of een activiteit overheersend is, vraagt de ondergrens of deze voldoende substantieel is. In beide gevallen is een kwantitatieve en kwalitatieve weging noodzakelijk.


 4. Spanning met de cao-norm en rechtszekerheid

De klassieke rechtvaardiging van de cao-norm ligt in objectiviteit en voorspelbaarheid. Met name de kenbaarheid voor derden die geen partij waren en de bedoeling van de tekst niet kunnen kennen, worden beschermd door de cao-norm. Werkgevers en hun adviseurs moeten aan de hand van de tekst kunnen bepalen of zij onder een verplichtstelling vallen, juist gezien de potentieel grote financiële gevolgen.

Voor werknemers kan onvoldoende kenbaar zijn wanneer hun werkgever al dan niet onder de verplichtstelling thuishoort. In de handhavingspraktijk betekent dit dat pensioenfondsen niet langer kunnen volstaan met een tekstuele analyse, maar gedwongen worden tot diepgaande bewijsvoering over bedrijfsstructuur en activiteiten.


5. Uitleg of rechtsvorming?

De vraag rijst of de Hoge Raad hier nog binnen de grenzen van interpretatie blijft. Op het eerste gezicht presenteert de Hoge Raad de impliciete ondergrens als toepassing van de cao-norm, waarbij de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen een erkend interpretatiecriterium is.  

Toch kan de vraag worden gesteld of hier geen sprake is van rechterlijke rechtsvorming. De ondergrens is immers niet kenbaar uit de tekst en evenmin uit een toelichting. Daarmee voegt de Hoge Raad een normatief element toe dat derden niet uit het besluit zelf konden afleiden. Dit wringt met de traditionele lijn waarin de Hoge Raad juist benadrukt dat correctie van onvolkomen werkingssfeerbepalingen aan sociale partners is, en niet aan de rechter.  

  

6. Systematische rechtvaardiging: bescherming van de sectorafbakening

Tegelijkertijd is er een systematisch argument voor de benadering van de Hoge Raad. Verplichtstellingsbesluiten beogen niet ieder detail van een sector te reguleren, maar hebben tot doel het institutionaliseren van een bedrijfstak. Een onderneming behoort niet tot een sector vanwege een marginale activiteit. Dat zou ook de representativiteit van het pensioenfondsstelsel ondermijnen en de legitimatie van verplichte deelneming kunnen aantasten.

De impliciete ondergrens kan daarom worden gezien als een correctie die de onderliggende logica onder de bedrijfstak herstelt waar de tekst tekortschiet. Zij voorkomt dat de juridische afbakening losraakt van de economische werkelijkheid.  In dat licht bezien is de uitspraak minder revolutionair dan zij lijkt: zij sluit aan bij een impliciet uitgangspunt van het stelsel.


7. Gevolgen en toekomstperspectief

De praktische impact van het arrest is aanzienlijk. Voor de rechtspraak ontstaat een nieuwe toetsingslaag waarin feitelijke omstandigheden centraal staan. Voor pensioenfondsen betekent dit een zwaardere bewijslast en mogelijk terughoudender handhaving. Voor werkgevers biedt het arrest juist nieuwe verweren. Zij kunnen betogen dat hun relevante activiteiten onder de impliciete ondergrens blijven, ook wanneer zij tekstueel binnen de werkingssfeer vallen.


Slot

De kern van het arrest ligt niet in het resultaat, maar in de methode: de Hoge Raad aanvaardt dat een werkingssfeerbepaling kan worden “gered van haar eigen tekst”. Daarmee wordt de deur geopend naar een meer functionele en economisch georiënteerde benadering van werkingssfeergeschillen. Of dit een beperkte uitzonderingsleer blijft of het begin vormt van een bredere verschuiving, zal de toekomstige rechtspraak moeten uitwijzen.


Noot gepubliceerd bij JAR 2026/160


Opmerkingen


Het is niet meer mogelijk om opmerkingen te plaatsen bij deze post. Neem contact op met de website-eigenaar voor meer info.
bottom of page