De kantonrechter oordeelt dat een paardenmanege die op beperkte schaal zorgactiviteiten verricht onder de werkingssfeer van de verplichte deelneming bij Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW) valt, ook al vormen deze activiteiten niet de hoofdzaak van de activiteiten.
In de uitspraak stond de vraag centraal of de paardenmanege sinds 1 januari 2021 verplicht valt onder de werkingssfeer van het verplichtgestelde BPF Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn (hierna: PFZW).
De manege is in haar kern een bedrijf dat (paard)rijlessen aanbiedt. Vanaf 1 januari 2021 heeft zij daarnaast kleinschalige zorgactiviteiten ontplooid in de vorm van een zorgmanege: dagbesteding voor personen met een zorgvraag, gericht op het bevorderen van zelfstandigheid, zelfvertrouwen, sociale vaardigheden en samenwerken. Deze zorgactiviteiten worden uitgevoerd met een orthopedagoog in dienst en gefinancierd via wettelijke zorgfinancieringskanalen zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) en de Wet langdurige zorg (WLZ).
De onderneming vorderde een verklaring voor recht dat zij niet onder de werkingssfeer van PFZW valt, en derhalve geen verplichte deelneming heeft en geen pensioenpremies verschuldigd is. PFZW had daarentegen via een brief van 14 maart 2025 medegedeeld dat verplichte deelneming vanaf 1 januari 2021 geldt en vordert premies over de periode januari 2023–januari 2025.
De kantonrechter paste bij de uitleg van het verplichte deelnemingsbesluit de cao-norm toe: beslissend zijn de bewoordingen van het besluit en de schriftelijke toelichting, niet de bedoelingen van derden. In het verplichtstellingsbesluit is onder de categorie “werkgevers in de intramurale en extramurale zorg” expliciet opgenomen “zorg in de vorm van begeleiding” (artikel I-A, ad a). Voor deze categorie geldt geen “hoofdzakelijkheidscriterium”; het criterium ziet enkel op de vraag of de werkgever één van de genoemde vormen van zorg verleent, ongeacht de omvang ervan.
De manege stelde dat de zorgactiviteiten niet zodanig van aard of omvang zijn dat zij onder PFZW valt, en dat haar activiteiten eerder thuishoren in de sfeer van welzijnswerk en maatschappelijke dienstverlening (artikel I-A, ad g), waarvoor wél een hoofdzakelijkheidscriterium (> 50 % inkomsten) geldt. De rechter verwierp die stelling op twee grondslagen. Ten eerste ontbrak in de dagvaardingsstukken concrete onderbouwing van de toepassing van de welzijnswerk-/maatschappelijke dienstverlening-categorie. Ten tweede is onbetwist dat de zorgactiviteiten niet door financiering uit de Participatiewet worden ondersteund, maar door zorgwetten — hetgeen juist past bij begeleiding in de zin van artikel I-A, ad a en niet bij maatschappelijke dienstverlening.
Er is dus geen hoofdzakelijkheidsdrempel voor de categorie “Zorg in de vorm van begeleiding”. Dit betekent dat zodra een werkgever zorg verleent in de zin van het besluit — hier: begeleiding bij een zorgmanege — er sprake is van verplichte deelneming bij PFZW. Dit oordeel blijft staan ook al vormen de zorgactiviteiten dus slechts een deel van de totale bedrijfsactiviteiten.
De rechter oordeelt dat de manege vanaf 1 januari 2021 onder de verplichte deelneming bij PFZW valt, en veroordeelt haar tot betaling van de gevorderde premies.
Kantonrechter Utrecht 14 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:371.